>

Artikel 26

  1. Verplichte tijd-voor-tijd-regeling

    1. Diensturen verricht op de dagen van maandag t/m vrijdag liggende tussen de 220 en 230 uur per betalingsperiode van 4 weken geven recht op één uur vrije tijd.

    2. Diensturen verricht op de dagen van maandag t/m vrijdag welke de 230 uur per betalingsperiode van 4 weken te boven gaan geven recht op 1,3 uur vrije tijd of 1 uur vrije tijd en een toeslag van 30% van het functie-uurloon, waarbij een eenmaal door de werknemer gemaakte keuze voor één jaar vast ligt.

    3. De vergoeding van 30% in geld wordt uiterlijk in de betalingsperiode volgend op de betalingsperiode waarin de diensturen gemaakt zijn, uitbetaald.

    4. De vergoeding in tijd vindt, behoudens bijzondere gevallen, plaats binnen 12 weken na de betalingsperiode waarin de meerdere uren zijn ontstaan. In geval van seizoensgebonden arbeid kan deze termijn in overleg met partijen betrokken bij deze cao worden verlengd tot maximaal 48 weken.

    5. Zoveel als mogelijk wordt de vergoeding in tijd in blokken van tenminste 3 dagen gegeven.

    6. De dag waarop krachtens een rooster-, dienst- of werktijdregeling niet wordt gewerkt, kan geen vrijaf worden gegeven in het kader van de tijd-voor-tijd-regeling.

    7. Tussen werkgever en werknemer(s) dient tijdig overleg plaats te vinden over de periode, waarin de opgespaarde vrije tijd, krachtens deze regeling wordt opgenomen.

    8. De werkgever dient per betalingsperiode bij of op de loonspecificatie een overzicht te geven van het totaal aantal opgespaarde uren onder gelijktijdige vermindering van de opgenomen uren in de voorafgaande betalingsperiode.

    9. In afwijking van het hierboven bepaalde kan op verzoek van de werknemer en/of de werkgever overleg worden gevoerd over de wijze waarop tijd-voor-tijd-uren worden vergoed. Indien tijd-voortijd- uren worden uitbetaald, dient dit te gebeuren tegen 130% van het uurloon.

  2. Vrijwillige tijd-voor-tijd-regeling

    1. De werkgever kan in overleg met de werkgeversorganisatie en de werknemersorganisaties een vrijwillige tijd-voor-tijdregeling op een lagere grens vaststellen dan de grens, genoemd in artikel 26 A lid 1, 2 en 3, doch nimmer lager dan 160 uur per betalingsperiode van 4 weken.

    2. De leden A 3 t/m 8 van dit artikel zijn van overeenkomstige toepassing.

    3. De vrijwillige regeling wordt schriftelijk vastgelegd en gemeld aan het secretariaat van CAO-partijen.