>

HOOFDSTUK X

Vakantie en Arbeidstijdverkorting

Artikel 36

  1. Vakantie

    1. Ten aanzien van de vakantie gelden met inachtneming van de leden 2 tot en met 8 van dit artikel de bepalingen, zoals deze zijn neergelegd in de wet van 14 juli 1966 tot wettelijke regeling van vakantie met behoud van loon.

    2. Het vakantiejaar loopt van 1 januari tot en met 31 december.

    3. De normale vakantie per jaar bedraagt:

      1. voor werknemers van 16 jaar en jonger 28 dagen

      2. voor werknemers van 17 en 18 jaar

        26 dagen

        voor werknemers van 19 t/m 39 jaar

        24 dagen

        voor werknemers van 40 t/m 44 jaar

        24 dagen

        voor werknemers van 45 t/m 49 jaar

        25 dagen

        voor werknemers van 50 t/m 54 jaar

        26 dagen

        voor werknemers van 55 t/m 59 jaar

        27 dagen

        voor werknemers van 60 jaar en ouder

        28 dagen

      3. In afwijking van het gestelde onder a. bedraagt de vakantie per jaar:

      4. voor werknemers met 10 dienstjaren

        25 dagen

        voor werknemers met 15 dienstjaren

        26 dagen

        voor werknemers met 20 dienstjaren

        27 dagen

        voor werknemers met 25 dienstjaren

        28 dagen

        voor werknemers met 30 dienstjaren

        29 dagen

      5. Het toekennen van vakantiedagen vindt plaats of op grond van dienstverband of op grond van leeftijd. Te allen tijde prevaleert het hoogste aantal dagen.

      6. De werknemer heeft recht op het onder a. respectievelijk b. van lid 3 genoemde aantal vakantiedagen, indien hij op 1 juli de daarbij genoemde leeftijd al heeft bereikt, respectievelijk het daarbij genoemde aantal dienstjaren in de onderneming heeft vervuld.

      1. De werknemer heeft geen aanspraak op vakantie over de tijd, gedurende welke hij wegens het niet verrichten van de bedongen arbeid geen aanspraak op in geld vastgesteld loon heeft.

      2. Tijdens ziekte worden slechts vacantierechten opgebouwd over de laatste 6 maanden

      1. Overeenkomstig artikel 7:634 van het Burgerlijk Wetboek heeft de werknemer tenminste aanspraak op vakantie in verhouding tot het verstreken deel van het jaar, indien de dienstbetrekking op enig tijdstip nog geen jaar of niet wederom een jaar heeft geduurd.

      2. De totale aanspraak op vakantie wordt bij het einde van het vakantiejaar, of bij het einde van de dienstbetrekking naar boven afgerond op halve dagen indien het dienstverband van de werknemer tenminste 2 maanden onafgebroken heeft geduurd.

      1. De werkgever bevordert, dat de werknemer zijn vakantiedagen in het lopende vakantiejaar opneemt. Daartoe zal de werkgever tijdig in overleg met de werknemers jaarlijks een goede vakantieplanning maken.

      2. De werknemer vraagt vakantie en snipperdagen aan volgens de in het bedrijf daartoe getroffen regeling die schriftelijk aan de werknemer wordt bekend gemaakt.

        1. Desverlangd geniet de werknemer – voorzover de aanspraak in het betreffende vakantiejaar toereikend zal zijn – drie weken aaneengesloten vakantie.

        2. Desverlangd geniet de werknemer ouder dan 50 jaar – voorzover de aanspraak in het betreffende vakantiejaar toereikend zal zijn – 4 weken aaneengesloten vakantie in een door werkgever na overleg met de werknemer te bepalen periode.

      3. Het in lid 6c bedoelde aantal van 15 respectievelijk 20 wordt verminderd met eventueel binnen deze periode vallende feestdagen zoals bedoeld in artikel 8

      4. De werkgever stelt de tijdstippen van aanvang en einde van de vakantie vast na overleg met de werknemer, waarbij de aanvang van de aaneengesloten vakantie zoveel mogelijk zal zijn gelegen in de periode van 1 mei tot en met 30 september.

      5. De werkgever mag niet bepalen, dat oponthoud tijdens een meerdaagse buitenlandse rit als vakantie zal worden aangemerkt, tenzij met de werknemer op diens verzoek anders is overeengekomen.

      6. De werkgever heeft de bevoegdheid jaarlijks drie verplichte snipperdagen aan te wijzen. Deze snipperdagen moeten direct voorafgaan aan of volgen op een der in artikel 8 genoemde feestdagen. Indien de werkgever van deze mogelijkheid gebruik maakt dient dat tenminste twee maanden van tevoren schriftelijk bekend gemaakt te worden.

    4. Voor elke vakantiedag waarop de werknemer, bij beëindiging van het dienstverband aanspraak heeft en die niet alsnog wordt genoten, wordt het loon van één dag uitbetaald.

      1. De werkgever is verplicht aantekening te houden van de door de werknemer opgenomen, respectievelijk aan hem uitbetaalde vakantiedagen, welke aantekening door de betrokken werknemer moet worden geparafeerd.

      2. De werkgever verstrekt bij het einde van de dienstbetrekking aan de werknemer een verklaring waaruit het aantal bij de beëindiging uitbetaalde vakantiedagen/ vakantie-uren blijkt.

      3. De werknemer ontvangt na iedere wijziging een overzicht van het resterende aantal vakantiedagen (bijlage V). *

  2. ATVdagen

      1. De werknemer heeft op jaarbasis recht op 3,5 ATVdagen

      2. De werknemer niet behoorende tot het rijdend personeel heeft op jaarbasis recht op 5,5 ATV-dagen.

      Test GRATIS uw pensioensituatie aan de hand van één druk op de knop!

    1. Het toekennen van de ATVdagen moet door de werkgever na overleg met de werknemer(s) (of zijn vertegenwoordiging) in een schriftelijke regeling worden vastgelegd welke uiterlijk 3 maanden vóór de eerste vrije dag van betrokken werknemer(s) aan hem is uitgereikt. Indien niet uiterlijk vóór 1 oktober van enig jaar deze dagen zijn ingeroosterd, worden deze dagen na die datum opgenomen op de wijze voorzien in art. 36A lid 6.

    2. In afwijking van lid 2 is het de werknemer toegestaan zijn jaarlijkse ATVdagen, tegen de waarde zoals die in lid 5 per ATVdag is vastgesteld, te bestemmen voor het individueel pensioensparen. De wens daartoe dient de werknemer jaarlijks minimaal 3 maanden voorafgaand aan een nieuw kalenderjaar kenbaar te maken aan de werkgever.

  3. Extra ATV dagen voor ouderen

    Aan een werknemer die 30 jaar of langer onafgebroken in de bedrijfstak werkzaam is, zullen, indien hij daartoe de wens te kennen geeft, op kalender-jaarbasis 18 ATV dagen boven de in sub B leden la en lb van dit artikel genoemde ATV dagen worden toegekend. Ook werknemers die chauffeurswerkzaamheden danwel stressgevoelige arbeid hebben verricht en die niet gedurende de periode van 30 jaar onafgebroken werkzaam zijn geweest in het beroepsgoederenvervoer kunnen voor deze regeling in aanmerking komen. Hierbij kan gedacht worden aan chauffeurs die gedurende deze 30 jaar een bepaalde periode werkzaam zijn geweest in het beroepsgoederenvervoer over de weg in het buitenland, het eigen vervoer of het personenvervoer. Een verschil van mening tussen werkgever en werknemer over het al dan niet in aanmerking komen voor deze regeling zal dienen te worden voorgelegd aan partijen betrokken bij deze cao.
    Binnen Goederenvervoer Nederland zal ten behoeve van deze regeling een fonds worden gecreëerd waarvoor maximaal 0,5% van de loonruimte door de werkgever ter beschikking zal worden gesteld.

* Aanbevelingen
Partijen bevelen aan dat in geval de arbeidsongeschiktheid twee jaar heeft geduurd de opgebouwde maar niet genoten vakantiedagen worden uitbetaald.