|
Onderstaande artikelen Artikel 37 Artikel 38
Artikel 37
Vakantieregeling leerlingen
In afwijking van het in artikel 35 lid 2 en 3 bepaalde geldt voor leerlingen van de beroepsbegeleidende leerweg (BBL) het volgende:
Het vakantiejaar loopt van 16 augustus tot en met 15 augustus van het daarop volgende jaar.
In het jaar van indiensttreding en beëindiging van het dienstverband wordt de duur van de vakantie bepaald in verhouding tot het verstreken deel van het jaar, met dien verstande dat gedeelten van dagen minder dan een half naar beneden en meer dan een half naar boven worden afgerond.
De vakantierechten bedragen voor een partieelleerplichtige leerling 17 werkdagen en voor een niet partieel leerplichtige leerling 21 werkdagen, met dien verstande:
dat van de genoemde dagen de werknemer er tenminste 9 respectievelijk 12 in drie aaneengesloten weken gedurende de zomervakantie dient op te nemen;
snipperdagen kunnen worden opgenomen als men hiertoe van te voren toestemming heeft verkregen van het stageverlenende bedrijf en van de collektieve werkgever.
naar boven
Artikel 38
Vakantiebijslag
Per kalenderjaar heeft de werknemer recht op een vakantiebijslag die 8% bedraagt van het over de vierde betalingsperiode van het lopende kalenderjaar berekende loon maal dertien en bij loonbetaling per maand 8% van het loon over de maand april van het lopende kalenderjaar maal twaalf. Onder het loon zoals genoemd in dit artikel wordt verstaan het feitelijk verdiende functieloon, eventueel vermeerderd met ploegentoeslag ex artikel 30 B en de persoonlijke toeslag ex artikel 19 van deze cao.
De minimum vakantiebijslag bedraagt per kalenderjaar voor alle werknemers van 22 jaar en ouder tenminste 104 % van het in de vierde betalingsperiode van het lopende kalenderjaar geldende functieloon, respectievelijk tenminste 96 % van het loon over de maand april van het lopende kalenderjaar bij maandbetaling, behorende bij schaal D trede 1. Voor de jeugdige werknemer bedraagt dit minimum het bij hun leeftijd passende percentage, genoemd in artikel 22, van boven aangegeven bedrag.
Indien de werknemer slechts een gedeelte van het kalenderjaar – of op parttime basis – in dienst is van de werkgever, heeft hij recht op een evenredig deel.
De vakantiebijslag dient in de maand mei over het lopende kalenderjaar te worden uitbetaald.
In afwijking van het gestelde in lid 4 kan de werkgever aan de werknemer die minder dan 1 jaar in zijn dienst is, de vakantiebijslag in twee termijnen betalen, en wel één in de maand mei en één in de maand november.
In geval van langdurige ziekte is de werkgever slechts over het eerste jaar der ziekte verplicht de vakantiebijslag te betalen.
naar boven
|
|