Artikel 67 Vakantie
Artikel 67B Persoonlijk keuzebudget (PKB)

Hoofdstuk XVII

Vakantie(bijslag) en Arbeidstijdverkorting

Artikel 67

Vakantie

  1. Ten aanzien van de vakantie gelden -met inachtneming van de leden 2 tot en met 8 van dit artikel- de wettelijke bepalingen, geregeld in artikel 7:634 BW en verder.

  2. Het vakantiejaar loopt van 1 januari tot en met 31 december.

  3. De normale vakantie per jaar bedraagt:

      voor werknemers van 16 jaar en jonger

      28 dagen

      voor werknemers van 17 en 18 jaar

      26 dagen

      voor werknemers van 19 t/m 39 jaar

      24 dagen

      voor werknemers van 40 t/m 44 jaar

      24 dagen

      voor werknemers van 45 t/m 49 jaar

      25 dagen

      voor werknemers van 50 t/m 54 jaar

      26 dagen

      voor werknemers van 55 t/m 59 jaar

      27 dagen

      voor werknemers van 60 jaar en ouder

      28 dagen

    1. In afwijking van het gestelde onder a. bedraagt de vakantie per jaar:

      voor werknemers met 10 dienstjaren

      25 dagen

      voor werknemers met 15 dienstjaren

      26 dagen

      voor werknemers met 20 dienstjaren

      27 dagen

      voor werknemers met 25 dienstjaren

      28 dagen

      voor werknemers met 30 dienstjaren

      29 dagen

    2. Het toekennen van vakantiedagen vindt plaats of op grond van de lengte van het dienstverband danwel op grond van leeftijd; het hoogste aantal dagen prevaleert.

    3. De werknemer heeft recht op het onder a. respectievelijk b. van lid 3 genoemde aantal vakantiedagen, indien hij op 1 juli de daarbij genoemde leeftijd heeft bereikt, respectievelijk het daarbij genoemde aantal dienstjaren zonder onderbreking in de onderneming heeft vervuld. Als onderbreking wordt niet beschouwd enige vorm van verlof of afwezigheid met instandhouding van de arbeidsovereenkomst.

  4. De werknemer heeft geen aanspraak op vakantie over de tijd, gedurende welke hij wegens het niet verrichten van de bedongen arbeid geen aanspraak op in geld vastgesteld loon heeft, tenzij uit artikel 7:635 BW anders voortvloeit.

  5. De totale aanspraak op vakantie wordt bij het einde van het vakantiejaar, of bij het einde van de dienstbetrekking naar boven afgerond op halve dagen indien het dienstverband van de werknemer tenminste 2 maanden onafgebroken heeft geduurd.

    1. De werkgever bevordert, dat de werknemer zijn vakantiedagen in het lopende vakantiejaar opneemt. Daartoe zal de werkgever tijdig in overleg met de werknemers jaarlijks een goede vakantieplanning maken.

    2. Desgewenst geniet de werknemer -voorzover de aanspraak in het betreffende vakantiejaar toereikend zal zijn- drie weken aaneengesloten vakantie.

    3. De werknemer ouder dan 50 jaar geniet desgewenst - voorzover de aanspraak in het betreffende vakantiejaar toereikend zal zijn - 4 weken aaneengesloten vakantie in een door werkgever na overleg met de werknemer te bepalen periode.

    4. De werkgever stelt de tijdstippen van aanvang en einde van de vakantie vast na overleg met de werknemer, waarbij de aanvang van de aaneengesloten vakantie zoveel mogelijk zal zijn gelegen in de periode van 1 mei tot en met 30 september.

    5. De werkgever mag niet bepalen, dat oponthoud tijdens een meerdaagse buitenlandse rit als vakantie zal worden aangemerkt, tenzij met de werknemer op diens verzoek anders is overeengekomen.

    6. De werkgever heeft de bevoegdheid jaarlijks drie verplichte snipperdagen aan te wijzen. Deze snipperdagen moeten direct voorafgaan aan of volgen op een der in artikel 32 genoemde feestdagen. Indien de werkgever van deze mogelijkheid gebruik maakt dient dat tenminste twee maanden van tevoren schriftelijk bekend gemaakt te worden.

  6. Voor elke vakantiedag waarop de werknemer, bij beŽindiging van het dienstverband aanspraak heeft en die niet alsnog wordt genoten, wordt het functieloon van ťťn dag uitbetaald.

    1. De werkgever is verplicht aantekening te houden van de door de werknemer opgenomen, respectievelijk aan hem uitbetaalde vakantiedagen.

    2. Mutaties ten aanzien van het (resterend) aantal vakantiedagen dienen op de salarisspecificatie te worden vermeld.

    3. De werkgever verstrekt bij het einde van de dienstbetrekking aan de werknemer een verklaring waaruit het aantal bij de beŽindiging uitbetaalde vakantiedagen blijkt.

    1. Met ingang van 1 januari 2019 bestaat de waarde van de 20 wettelijke vakantiedagen en van 2 van de bovenwettelijke vakantiedagen die vanaf 1 januari 2019 worden opgebouwd, uit de volgende onderdelen:

      • Het functieloon van 1 dag vermeerderd met de persoonlijke toeslag en de ploegentoeslag;

      • Het gemiddelde bedrag dat in het voorafgaande kalenderjaar per dag is ontvangen aan een structurele vergoeding van de toeslagen voor de zaterdag en zondaguren (art. 33), de Toeslagenmatrix (art. 37) de vuilwerktoeslag (art. 38A), de koudetoeslag (art. 38B), de consignatievergoeding (art. 42), de reisuren voor de werknemers op mobiele kranen (art. 47) en de onregelmatigheidstoeslag (art. 55). In verband met het niet altijd structurele karakter van deze vergoedingen wordt 90% van de totale waarde meegenomen in de berekening;

      • Het gemiddelde bedrag dat in het voorafgaande kalenderjaar per dag is ontvangen aan een structurele vergoeding van overuren, zaterdag en zondaguren voor zover deze de 40 uur per week overschrijden. In verband met het niet altijd structurele karakter van deze vergoedingen wordt dit bedrag vervolgens afgetopt op 22,75% van het functieloon.

    2. Iedere werknemer in loonschaal A’ tot en met loonschaal H die gedurende het gehele kalenderjaar 2018 bij werkgever in dienst is geweest en in dat jaar minimaal 100 uren heeft gewerkt waar een toeslag aan verbonden is, niet zijnde de ploegen- en de persoonlijke toeslag, heeft in 2019 recht op een eenmalige uitkering van Ř 750,- bruto, welke zal worden uitgekeerd in 3 termijnen van Ř 250,- bruto, uit te betalen op 31 maart, 30 juni en 30 september 2019. Voorwaarde hiertoe is dat de werknemer afstand doet van zijn rechten aangaande de vergoeding van de structurele toeslagen over de genoten vakantiedagen in de jaren 2014-2018.

Artikel 67b

Persoonlijk keuzebudget (PKB)

  1. Met ingang van 1 januari 2018 wordt een Persoonlijk Keuzebudget (PKB) ingevoerd.

  2. De volgende arbeidsvoorwaarden worden ingebracht in het PKB:

    1. Twee (2) van de vier (4) bovenwettelijke vakantiedagen;

    2. De extra, boven de 24 per jaar, vakantiedagen op grond van leeftijd en/of dienstjaren.

    3. Desgewenst brutoloon.

  3. Het PKB wordt aan het begin van het kalenderjaar toegekend. De feitelijke opbouw vindt per betalingsperiode plaats.

  4. De waarde van een vrije dag is 8 x het van toepassing zijnde uurloon vermeerderd met de vakantietoeslag en (indien van toepassing) de ploegentoeslag en de persoonlijke toeslag.

  5. De werknemer kan per betalingsperiode keuzes maken met het tot dan toe opgebouwde saldo. Er kan gekozen worden voor geld, vrije tijd of scholing (zowel functiegericht als niet-functiegericht). Als er gekozen wordt voor vrije tijd dan kan men maximaal 18 dagen aankopen.

  6. Een reeds ingeroosterde vrije dag, aangekocht vanuit het PKB zal in geval van ziekte weer toegevoegd worden aan het PKB saldo.

  7. Indien er geen keuzes worden gemaakt, blijft de opbouw per betalingsperiode doorlopen tot het einde van het kalenderjaar. Het resterende PKB-saldo inclusief de aangekochte doch niet opgenomen vakantiedagen worden aan het einde van het vakantiejaar volledig uitbetaald.

 


CAO online © 2001 2007 all rights reserved
NETWORK DEVELOPMENT
Jaco Langeveld
Lelystad
Contact