Artikel 56 Vakantie
Artikel 57 Vakantietoeslag
Artikel 58 Werkgelegenheidsdagen

Hoofdstuk 9: Verlof- en Vakantierechten

Artikel 56 Vakantie

  1. Ten aanzien van de vakantie gelden - met inachtneming van de leden 2 t/m 8 van dit artikel - de bepalingen zoals deze zijn neergelegd in titel 10 Boek 7 BW, welke per 1 april 1997 in werking is getreden, zijnde de wettelijke regeling met betrekking tot vakantie en met behoud van loon.
  2. Het vakantiejaar loopt van 1 januari tot en met 31 december.
  3. De normale vakantie per vakantiejaar bedraagt:

    • voor werknemers van 20 jaar en jonge : 24 dagen
    • voor werknemers van 21 tot en met 49 jaar : 23 dagen
    • voor werknemers van 50 tot en met 54 jaar : 24 dagen
    • voor werknemers van 55 tot en met 59 jaar : 26 dagen
    • voor werknemers van 60 jaar en ouder : 27 dagen
    De peildatum voor het bereiken van de bovengenoemde leeftijden is het jaar waarin men die leeftijd heeft bereikt.
    1. Overeenkomstig artikel 7: 634 (opbouw vakantierechten) van het Burgerlijk Wetboek heeft de werknemer ten minste aanspraak op vakantie in verhouding tot het verstreken deel van het jaar, indien de dienstbetrekking op enig tijdstip nog geen jaar of niet wederom een jaar heeft geduurd.
    2. De totale aanspraak op vakantie wordt bij het einde van het vakantiejaar of bij het einde van de dienstbetrekking naar boven afgerond op halve dagen.
  4. De werknemer vraagt volgens de daaromtrent door de werkgever gestelde en aan de werknemer ter kennis gebrachte regelen vakantie aan.
  5. Behoudens afwijking in gezamenlijk overleg worden, indien daarop krachtens dit artikel aanspraak kan worden gemaakt, 15 werkdagen van de vakantie aaneengesloten genoten en wordt zoveel mogelijk getracht deze dagen te verlenen in de periode van 1 mei tot 30 september. De aaneengesloten vakantie vangt, voorzover de werknemer hierom verzoekt, aan op zaterdag en eindigt op zondag.
  6. De werkgever is verplicht aantekening te houden van de door de werknemer opgenomen dagen met behoud van loon, respectievelijk zonder behoud van loon. De aantekeningen zijn zodanig dat daaruit het akkoord van de werknemer blijkt.
  7. Vakantiedagen kunnen, in lijn met de wet, enkel op schriftelijk verzoek van de werknemer worden toegekend en daarna in mindering worden gebracht op het vakantiedagensaldo.

naar boven

Artikel 57 Vakantietoeslag

  1. Per kalenderjaar heeft de werknemer behoudens het bepaalde in lid 3, recht op een vakantietoeslag van 8 % met dien verstande dat het minimumbedrag aan vakantietoeslag over een volledig vakantiejaar gelijk is aan het wettelijk minimum maandloon.
  2. Voor werknemers met een dienstverband voor onbepaalde tijd dient de gehele vakantietoeslag te worden uitbetaald voor het opnemen van de aaneengesloten vakantie, doch uiterlijk 31 mei van het kalenderjaar. De loonbedragen per 1 april van elk jaar gelden als berekeningsgrondslag. In afwijking hiervan kan de werkgever aan de werknemer die minder dan 1 jaar in dienst is de vakantietoeslag in ten hoogste twee termijnen betalen, waarvan de laatste termijn uiterlijk in de maand juni dient te vallen.
  3. De werknemer met een dienstverband voor bepaalde tijd, heeft recht op 1/12 van de in lid 1 genoemde vakantietoeslag voor de aaneengesloten periodes van 30 dagen, gedurende welke deze overeenkomst op hem van toepassing is. Deze vakantietoeslag dient uiterlijk te worden uitbetaald bij het einde van het dienstverband.
  4. Onder het jaarloon in dit artikel wordt verstaan 12x het maandloon, dan wel 13x het vier-wekenloon en diplomatoeslagen.
  5. Op uitdrukkelijk schriftelijk verzoek van de werknemer mag de vakantietoeslag in twee termijnen worden betaald, te weten: in mei en december van het betreffende kalenderjaar De loonbedragen per april van het jaar gelden als berekeningsgrondslag.

naar boven

Artikel 58 Werkgelegenheidsdagen

  1. Naast de vakantiedagen vermeld in artikel 56 zullen aan de werknemer met uitzondering van openbaar vervoer werknemers (zie artikel 44) vijf werkgelegenheidsdagen worden toegekend. Deze dagen dienen door de werkgever tijdig te worden aangewezen.
  2. Ingeroosterde werkgelegenheidsdagen komen bij ziekte op die dagen te vervallen.
  3. Voor het overige zijn de bepalingen van artikel 56 van overeenkomstige toepassing op werkgelegenheidsdagen.

naar boven